Geografische Noordpool exp. - Team Wilco Van Rooijen


Filmfragment Noordpool expeditie
Poolexpeditie naar de geografische NoordpoolOp 20 mei 1997 plaatste een Nederlands team na een voettocht van 70 dagen de Nederlandse driekleur op de noordelijkste punt van onze aarde: de Geografische NoordpoolNiet eerder had een Nederlands team deze prestatie geleverd.

De expeditie startte 5 man sterk vanaf Ward Hunt Island, het noordelijkste deel van Canada. Het vijftal werd vanuit een basiskamp in Resolute Bay ondersteund en nauwlettend in de gaten gehouden door de drie mede teamleden: coördinator Joost Cohensius, video editor Manfred Poppenk en camaraman Bert Geeraets.
Tijdens de eerste van twee bevoorradingen moest Cas van de Gevel wegens ernstige rugklachten helaas afhaken. Edmond Ofner, Hans ven der Meulen, Marc Cornelissen en Wilco van Rooijen zetten de tocht voort. de Nederlanders hebben zo’n 1100km over de ijskap moeten afleggen om de magische 90 graden Noorderbreedte te bereiken. Het team werd geconfronteerd met temperaturen van -46 graden en openscheurend ijs. Maar mede door de goede organisatie en hechte samenwerking hebben zij de verschrikkingen van de Noordpool kunnen trotseren, en hun uiteindelijke doel bereiken. De geografische Noordpool.

©Het expeditie verhaal Noordpool 1997
In 1996 worden Cas van de Gevel en ik uitgenodigd voor de Nederlandse Noordpoolexpeditie. Joost Cohensius en Edmond Ofner willen een expeditie organiseren naar de geografische Noordpool. Nooit eerder hebben Nederlanders op eigen kracht dat punt bereikt.
Behalve de geografische Noordpool heb je ook de magnetische Noordpool. Dit is de pool waar je kompas naartoe wijst. Deze polen liggen niet bij elkaar. Dit komt omdat de aarde niet symmetrisch rond is. Dit heeft tot gevolg dat de aardmagnetische velden ook niet netjes eindigen daar waar de aarde om zijn as draait. Door variatie van de aardmagnetische velden verplaatst de magnetisch Noordpool zich ook. Op dit moment ligt de magnetische pool zo’n 1600 kilometer van de geografische pool. De geografische pool blijft wel het zelfde want dat is het punt waar de aarde om zijn as draait. Deze geografische pool is een stuk moeilijker te bereiken dan de magnetische omdat die veel verder van het vasteland ligt.

Het is precies 400 jaar geleden dat Willem Barentsz op Nova Zembla omkam tijdens zijn zoektocht naar een noordoostpassage. Dit is de juiste tijd om weer geschiedenis te schrijven.

Joost en Edmond ken ik van de K2-expeditie, en nadat ik was hersteld van mijn dramatische ongeluk op de K2 ben ik ook alweer met Joost op reis geweest naar Namibië voor een Camel Experience. Nu klopt Joost bij Cas en mij aan of wij openstaan voor een expeditie naar de Noordpool. Het plan is om vanuit het Noorden van Canada, Cape Columbia op Ellesmere Island, de bevroren ijszee over te steken naar de geografische Noordpool. Een afstand van hemelsbreed misschien 800 kilometer, maar met het drijvende en driftende ijs moeten we rekenen op meer dan 1000 kilometer. Het ijsteam moet bestaan uit vier mannen. Bijgestaan door een supportteam in het basiskamp vanuit het hoge noorden van Canada. Het ijsteam bestaat uit de ‘klimmers’ Edmond Ofner, Hans van der Meulen, Cas van de Gevel en ik zelf. Het supportteam bestaat uit Joost Cohensius, Manfred Poppenk en Bert Geeraets. Manfred is verantwoordelijk voor de digitale editing van de televisieprogramma’s. Bert Geeraets is onze professionele cameraman. Hij maakt de video-opnamen in en rond het basiskamp, op het ijs doen Edmond en ik dat. Er staan tenminste acht televisie-uitzendingen van dertig minuten gepland. Joost en Edmond hebben voor klimmers gekozen omdat Nederland amper ervaren poolreizigers telt en klimmers, zo is de gedachte, zijn tenminste gewend om met kou om te gaan.

We hebben elkaar goed leren kennen tijdens de K2-expeditie en hebben bewezen dat we goed kunnen samenwerken. Maar één ding moet absoluut anders. Geen expeditieleider zoals op de K2, want dat is iedereen erg slecht bevallen. En waarom ook? We willen een platte organisatie waarin iedereen even belangrijk is en zijn verantwoordelijkheid neemt, en alle besluiten democratisch worden genomen.
We hebben met z’n allen enorm veel ervaring en kennen elkaars kwaliteiten. Automatisch trek je dan die taken naar je toe waar je goed in bent. Trouwens, een zogenaamde expeditieleider maakt net zoveel kans om uit te vallen door ongelukken en wat moet zo’n team dan plots zonder leider?
Tegelijk zal de zelfsturing van ons team het uiterste vergen van de expeditieleden, ook in de voorbereidingen. We zullen met een voor ons nieuwe organisatie structuur gaan werken. Geen expeditieleider meer. Het enorme voordeel hiervan is dat we eigen verantwoordelijkheid gaan dragen. Nadeel is dat er veel gesproken en vergaderd zal gaan worden. In de mentale voorbereidingen worden we begeleid door externe trainers van een organisatie bureau. We leren dat het groepsproces in deze nieuwe vorm belangrijk is en we ons niet alleen moeten focussen op het einddoel. Het team … daar draait het om!

Voor Cas en mij zal dit een totaal nieuwe ervaring zijn. We klimmen nog steeds fanatiek in de Alpen en dit is iets wat niet direct met klimmen te maken heeft. Maar tijdens onze reis in 1992 door Afrika las ik het boek Tussen hemel en hel van Reinhold Messner. Hij maakte samen met Arved Fuchs een tocht over Antarctica naar de geografische Zuidpool.
Ik zie het meteen zitten met professionals als Joost en Edmond en ik stel me open voor de wereld van de Noordpool, de wereld die ‘Arctica’ heet. Ik begin me te verdiepen in verslagen van expedities die daar naar toe zijn geweest zoals North to the Pole van Will Steger, Icewalk van Robert Swan en De Witte Hel van onze zuiderburen, de Belgen Alain Hubert en Didier Goetghebuer. Ook lees ik het boek over de onmenselijke tocht over Antarctica met de prachtige titel Taaier dan een Husky van Ranulph Fiennes. Ik krijg na het lezen van al die boeken steeds meer respect voor de mannen en vrouwen die dit soort uitdagingen aangaan. Het blijkt eigenlijk totaal iets anders te zijn dan het expeditieklimmen.

Bij het expeditieklimmen werk je vaak in teams en geef je alles als je aan het werk bent op de berg. Vaak is dat zeer zwaar door de ijle lucht, die een grote aanslag pleegt op je geest en je gestel. Maar na een aantal dagen hard werken op de berg keer je terug in het basiskamp waar je uitrust, goed eet en probeert te herstellen voor de volgende aanval. Na een periode van vijf tot zes weken probeer je dan uiteindelijk een topaanval te forceren waarin je hopelijk succes boekt.

Een poolexpeditie zit heel anders in elkaar. Daar zitten geen rustdagen in. Je kunt precies meten wat je aflegt per dag en dus nauwkeurig berekenen hoe ver je nog te gaan hebt. De intensiteit van de inspanning is weliswaar minder, maar daar staat tegenover dat je wel elke dag moet presteren. Je kunt je niet even terugtrekken in het basiskamp. Je hebt geen lectuur bij je, geen ‘overbodig’ lekker eten, nee, geen gram te veel want je moet elke dag alles in je slee meezeulen: tenten, slaapzakken, matjes, kleding, eten, foto- en videoapparatuur, communicatiemiddelen en andere materialen.

In de voorbereiding worden de taken verdeeld en we werken als team naar de expeditie toe. Ik neem op voorstel van Joost contact op met Marc Cornelissen. Marc heeft in 1996 een expeditie ondernomen naar de magnetische Noordpool. Die is weliswaar mislukt doordat de pool niet werd gehaald, maar geslaagd in de zin dat Marc enorm veel ervaring heeft opgedaan. Hij vertelt zonder beperkingen over zijn poolervaringen. Over de logistiek, het eten, de sledes, de communicatie, de materialen. In het begin geeft Marc te kennen dat hij niet mee wil met onze expeditie omdat hij werkervaring op wil gaan doen met zijn architecten studie. Maar hoe meer hij betrokken raakt met onze expeditie des te heviger het Noordpool virus ook bij hem weer toeslaat. Al snel kan Marc de weerleiding niet verstaan en kiest hij toch voor deelname in ons team. Het is nu of NOOIT!

Het zal even wennen zijn voor hem tussen al die eigenwijze klimmers. Maar Marc leert ons snel kennen, onder andere tijdens een van de mentale trainingssessies in Noordwijk, waarbij we een zogenaamd transformatiespel spelen: een soort ganzenbord waarbij in verschillende stappen verschillende niveaus bereikt kan worden. Het spel biedt talloze aanknopingspunten om elkaar te bekritiseren, maar ook om waardering voor elkaar uit te spreken. Zo wordt duidelijk dat er heel wat onuitgesproken meningen en gevoelens leven. Vooral Hans en Edmond blijken veel te bespreken te hebben. Ik wist niet beter of de succesvolle K2-expeditie moest Hans alles gebracht hebben. Hij had zonder kunstmatige zuurstof als enige Nederlander deze ‘killer mountain’ bedwongen, de op één na hoogste top van de wereld. Maar wat er voor Hans aam had ontbroken was het respect! Hans had zich doodgewerkt op de expeditie maar blijkbaar van het team nooit het verdiende respect gekregen.

Ik word bekritiseerd vanwege m’n houding na mijn ongeluk op de K2. Ik was toen niet meer in staat om fatsoenlijk te communiceren. Na het bijna fatale ongeluk had ik me zo in mezelf gekeerd dat ik geen hulp meer accepteerde. In mijn ogen begreep niemand mij. Zij hadden allemaal makkelijk praten terwijl ik de hoogste prijs had moeten betalen. En nu pas bekijk ik die situatie door hun ogen. Het team wilde mij elke morgen een hart onder de riem steken, terwijl ik alleen maar boos en negatief was. Dat was toch wel de grootste les die ik leer van de K2. Hoe erg je persoonlijke situatie ook is, je moet open blijven staan voor communicatie met je team. Als je je terugtrekt en niet meer wilt communiceren, brandt je team je af en moet je het zelf maar uitzoeken.

Verder trainen we tijdens de voorbereiding op het koude, kille strand. We slepen oude doorgezaagde expeditietonnen gevuld met zand achter ons aan. We starten in Wijk aan Zee en lopen naar Den Helder. Onderweg bespreken we de stand van zaken en begint ons team steeds meer vorm te krijgen. Ook trekken we een enorm antiek zeilschip door de Amstel over oude idyllische jaagpaden. Overdag beulen en plezier maken, ’s avonds besprekingen en weer die gezelligheid. In de Ardennen slepen we voor dag en dauw boomstammen en leren we praktische zaken als wonden hechten van onze expeditiearts Ronald Hulsebosch. Ons leven staat steeds meer in het teken van het team dat straks de prestatie moet gaan leveren.

Het is een spannende tijd want we hebben allemaal al ja gezegd tegen de expeditie terwijl de financiën nog niet rond zijn. Het sponsortraject loopt maar heeft meer tijd nodig. Ieder van ons heeft z’n commitment en bijdrage allang geleverd, anders kan zo’n project nooit van de grond komen. Daardoor weet je dat ieder er ook echt inzit.

Onze laatste serieuze training vindt plaats in Iqaluit, in het uiterste noordwesten van Canada. In de ‘shear zone’ voor de kust van Iqaluit, in de schitterende Frobisher Bay, testen we materiaal en videoapparatuur en wennen we aan temperaturen van 25 graden onder nul. Voor het eerst kunnen we oefenen met de sledes. Een beproeving voor onszelf en voor de sledes. We maken tochten over de breukige ijsformaties en oefenen in de chaos van ijs voor de kust. Zo leren we manoeuvreren met de speciaal door onszelf ontwikkelde kevlar sledes. Al snel merken Cas en ik dat dit veel geduld en beleid vergt, want als je die zware sledes al te lomp over de betonharde ijsformaties trekt, loopt zelfs het oersterke kevlar zware schade op. Tijdens deze laatste training blijken er ook verdere aanpassingen nodig te zijn aan tenten, skibindingen, videocamera’s etc.

Op 24 februari vliegen we naar Resolute Bay waar we het basiskamp inrichten. Het is min 48 graden Celsius als de vliegtuigdeur openzwaait. Ademen is een moment onmogelijk. Het doet gewoon pijn. Je voelt je warme neusharen direct bevriezen. Snel een sjaal voor de mond en neus. Mensen! Waar gaan we aan beginnen?
We richten het basiskamp in, maken nog wat trainingstochten en bereiden ons voor op het vertrek. Tijdens een laatste trainingsnacht op het ijs vlak bij het basiskamp is er nog iets spannends gaande. Edmond zal tijdens de expeditie namelijk vader worden, en dat staat op dit moment te gebeuren. Daarom rent Edmond de volgende dag in zijn eentje als eerste terug naar het basiskamp. Het is een raar idee. Hier zitten en tegelijkertijd weten dat je vrouw op het andere continent een kind baart. Maar Edmond is hier uiteraard al heel lang mee bezig. Hij en zijn vrouw Agnes hebben het zo gewild. Als we onze spullen weer in de sledes hebben zitten en teruglopen naar het basiskamp, horen we al een uitzinnige Edmond. ‘Ik heb een baby! Ik ben vader geworden van een dochter!’ Vanaf nu hebben we een ‘vader’ in ons team. Edmond heeft het rationele besluit genomen om toch op expeditie te gaan, maar later in de expeditie blijkt hem dat toch erg zwaar te vallen.
Tijdens de eerste bevoorrading krijgt Edmond foto’s van zijn dochter Floor. Hij barst in janken uit en hoewel hij trots en ontroerd is heeft hij ook een knagend schuldgevoel. “Ik voel me als een ontheemde vader” zegt hij. Toch zal hij zijn evenwicht moeten hervinden.

Nadat Edmond te horen heeft gekregen dat hij vader is geworden wachten we op het sein voor vertrek met de Twin Otters. We zullen met een Twin Otter worden afgezet op Ward Hunt Island, de noordelijkste en meest desolate plek van Canada. De Twin Otter wordt gevlogen door echte ‘bush pilots’ want vliegen doe je hier op zicht en ervaring. Daarom hangt het geheel af van het weer wanneer je gedropt gaat worden. Vanaf nu kan het elke dag raak zijn.
Elke ochtend staan we vroeg op, kleden ons aan en wachten aan de ontbijttafel het nieuws af. De sledes staan buiten in de kou al dagen klaar om met ons naar Ward Hunt Island te worden gevlogen. Dan is er telefoon. Iedereen zit in spanning. Is het een ‘go’? Nee, geen ‘go’. We moeten ons geduld bewaren. Maar we weten ook dat elke dag dat we later vertrekken de tijd korter wordt om de pool te bereiken want de temperaturen stijgen naarmate de tijd verstrijkt. En hoe hoger de temperatuur, des te meer we op het eind van de expeditie te maken zullen krijgen met ‘open leads’: Plekken open water waar het ijs gesmolten is.

Dan, op 12 maart, na vijf eindeloze dagen op goed weer te hebben gewacht kruipen we met de sledes in de Twin Otter, die daarmee volledig afgeladen is. Dan worden de motoren gestart en even later komen we los van de grond. We scheren over de
bergketens en gletsjers op Ellesmere Island, met de opkomende zon een adembenemend uitzicht. Het is een waanzinnige ervaring.

In de Twin Otter is het denken voelbaar. Niemand zegt meer iets, iedereen is in gedachten verzonken, gespannen voor wat komen gaat. Het weer blijkt toch niet echt overtuigend te zijn, maar de piloot durft het risico aan. Het laatste uur vliegen we het grootste gedeelte door wolken mist en nog eens mist. Plots zijn we aan het dalen. We vermoeden dat we nog heel hoog zitten, maar dan ineens: boem, boem, bam! Het vliegtuig stuitert op het ijs en de piloot zet hem in een paar honderd meter stil. Onze harten gieren door onze keel. We hadden niet door dat de piloot door de wolken een gaatje had gezien en een mogelijke landingsplek. We dachten even dat we te pletter sloegen, maar het was allemaal volgens planning.

Na een vlucht van bijna zes uur staan we even later met onze dikke donskleding de sledes uit te laden en worden de laatste interviews gedraaid. Iedereen doet zijn best om zijn gevoelens onder woorden te brengen. Maar de juiste woorden zijn moeilijk te vinden. We wisselen de donskleding voor de speciale poolpakken want nu wordt het zweten en werken met de sledes. We zijn ongeduldig, er is genoeg gesproken en voorbereid. Het moet nu gebeuren.
Nog even en dan is het veilige vliegtuig weg! Dan staan we hier in de witte ijswoestijn. Welke kant moeten we eigenlijk op? Ik pak het GPS en navigeer het team richting Noord. We zetten onze eerste voetstappen. We worden uitgezwaaid in een waas van storm, sneeuw, ijs en tranen. We moeten het nu met z’n allen doen. Het lijkt onmogelijk. Een weg terug is er niet meer. Als we een paar honderd meter verwijderd zijn horen we de Twin Otter opstijgen en cirkelt hij nog een keer boven ons hoofd. En dan zijn we echt helemaal alleen!

We lopen elkaar achter elkaar, diep verzonken in gedachten en in de capuchons van onze pooljassen. Al snel doemt de hel voor ons op. We moeten ons eerst door de ice shear zone zien te vechten, een 150 kilometer breed gebied dat de verbinding vormt tussen het ijs van het Canadese vasteland en het zeeijs. Het is een hel van hoog opgestapelde ijsmuren en ondoorzichtige labyrinten van sneeuwblokken en kruiende schotsen.

Al snel kunnen we onze sledes niet meer gewoon door de ijsformaties heen sleuren. We koppelen ze af en brengen als team elke slede stuk voor stuk door de ergste labyrinten. Soms moeten we de sledes zelfs over een twee meter hoge ijsmuur heen tillen. Als we alle vijf de sledes met elkaar over een hindernis hebben gewerkt, koppelen we aan en lopen weer verder zolang het gaat. We zijn vol goede moed: de ice sheer zone is maar 150 kilometer. We werken keihard, zijn supergemotiveerd en het gaat goed.

De eerste dagen zijn de afstanden nog niet indrukwekkend. Eerste dag 4,68 kilometer. Tweede dag 2,76. Derde dag 2,82 en de vierde dag 7,57. Op de zesde dag vestigen we een record en leggen maar liefst 10,3 kilometer af. In werkelijkheid is het veel meer omdat we in de ijschaos voortdurend hele stukken moeten omlopen. Maar alleen de afstand hemelsbreed in een rechte lijn naar de pool toe telt. De kou schommelt zo rond de min 30° Celsius en heeft zijn eerste slachtoffers al gemaakt. Hans heeft een koudeblaar op zijn vinger, Cas heeft er al twee. Je hoort hem er bijna niet over maar ik weet dat hij een pijnstiller moet slikken om te kunnen slapen.

Je bent geneigd zoveel mogelijk kleding aan te trekken. Maar dat werkt niet echt. Het probleem is dat wanneer je zo zwaar aan het werk bent met de sledes, je onherroepelijk warmte gaat produceren. Als je dan iets te dik bent aangekleed bevriest je zweet in je kleren. Om dat ijs er dan weer uit te krijgen is een hele klus. In het begin liepen we bijvoorbeeld met een lekker fleece vest onder ons poolpak. Als er in het fleece ijskristallen ontstaan ben je klaar met je fleece trui. Je krijgt het ijs er nauwelijks uit en de volgende ochtend kun je je trui rechtop zetten, zo stijf bevroren is die dan. Het is de kunst om je elke keer zodanig te kleden dat je net niet zweet en het toch warm genoeg hebt.
Het probleem is dat dit uiteraard afhangt van je inspanning die je levert. Heb je het tijdens het lopen qua temperatuur prima geregeld, dan sta je in de kou als je na een uur pauzeert. Dan koelt je lichaam heel snel af en binnen de kortste keren sta je te rillen. Iets aantrekken is dan niet echt efficiënt, want zodra je het kledingstuk tevoorschijn hebt getoverd uit je slede, kan je het weer opbergen omdat de pauze voorbij is. Niet alleen tijdens pauzes is het vreselijk irritant, maar ook als we moeten overleggen over de beste route. Op het moment dat er discussie is over de te nemen route, slaat de kou toe. Het liefst wil je gewoon door blijven lopen maar dat kan praktisch gezien niet. We houden daarom de eet-, drink- en discussiepauzes zo kort mogelijk.

Voordat ik naar de Noordpool ging dacht ik altijd simpel over kou. Heb je het koud op je hoofd dan zet je gewoon een muts op. Heb je het dan nog koud, dan zet je er nog één of twee op. Maar zo simpel werkt het niet. Als je een bivakmuts opzet zijn je mond en neus lekker beschermd tegen de kou. Maar de warme lucht die je uitblaast bevriest rondom je neus en mond. In een uur tijd groeit er dan zo’n heerlijke ijsbaard aan je bivakmuts. Doe je twee bivakmutsen over elkaar, dan vriezen ze aan elkaar vast. Vervolgens is door het bevriezen de elasticiteit eruit. Wil je dan eten en je trekt je bivakmuts open om een energiereep naar binnen te werken, dan blijft die bivakmuts openstaan.
Als de koude wind in je gezicht blaast en je je hele gezicht bedekt met je bivakmuts en daarover een bril, krijg je het probleem dat binnen de kortste keren je bril beslaat en direct bevriest. Een eenmaal beslagen bril maak je niet even weer droog. Je kunt hem wegleggen om hem aan het eind van de dag in de tent weer voorzichtig ijsvrij te maken.
Het probleem met je handen is dat je wel drie verschillende dikke lagen aan kunt trekken, maar als je iets moet pakken of eten dan heb je toch gevoel nodig. En dat gaat alleen met vingerhandschoentjes en niet met dikke wanten. Zeker met het filmen en foto’s maken is het binnen enkele momenten gebeurd. Als we iets gepakt of gegeten hebben staan we soms minuten lang met onze handen en armen te slaan om het bloed weer te laten stromen. Soms duurt het na een pauze van tien minuten wel een kwartier om de handen weer op temperatuur te krijgen. Met de voeten idem dito.
Vervolgens is het de kunst hier subtiel mee om te gaan. Als je de kou als je vijand ziet hou je het niet lang uit op de pool. De kou zal het uiteindelijk altijd van je winnen. De kou vreet letterlijk aan je en verbruikt al je energie. Maar als je leert met de kou en de omstandigheden om te gaan kun je het ook zien als een uitdaging om de ongemakken te tackelen. Een kwestie van heel veel discipline en goed luisteren naar je lichaam. En je vooral niet laten verleiden je handschoenen uit te trekken voor die ene mooie foto te maken of omdat je iets net niet voor elkaar krijgt met die onhandige handschoenen.

Op dag 8 van de expeditie lopen we over een grote witte ijsvlakte. Het lijkt lekker op te schieten, we kunnen de ruggen weer eens rechten. Dan zien we in de verte een donkere wolk boven het ijs hangen. Het ziet er onheilspellend uit. We denken aan een weersfront maar na een half uur lopen blijkt de ijskap zich te hebben geopend. De poolwind en de zeestromingen hebben het ijsvlies opengereten. De rook blijkt opstijgende waterdamp. Het maakt op indringende wijze duidelijk dat we ons op een bevroren zee bevinden. Iets wat je af en toe bijna zou vergeten.
We komen aan de rand van een enorme watervlakte. Even met je slee als kano naar de overkant peddelen is er niet bij. We zien de overkant nauwelijks. Bovendien staat er een harde wind en zijn er zelfs kleine golven. Je zou door de wind, de stroming en de golven misschien niet eens de overkant halen. De moed zinkt me in de schoenen. Mijn eerste gedachte is dat je hier nooit overheen komt.
Logischerwijs besluiten we om de waterlijn in noordoostelijke richting te volgen op zoek naar een veilige mogelijkheid om over te steken. Maar binnen een half uur buigt de waterlijn af in oostelijke richting. Bovendien wordt het terrein alleen maar slechter. We besluiten terug te lopen en zetten uiteindelijk de tent op. We kunnen niet verder. Misschien dat het na een strenge nacht vriezen morgen dicht ligt. Ik geloof er geen snars van. Toch moeten we accepteren dat we niet verder kunnen. Via de radio wordt contact gezocht met ons basiskamp in Resolute en gevraagd of zij aan de hand van satellietbeelden kunnen bepalen welke kant we op moeten. We krijgen het advies te wachten waar we nu zijn omdat we hier een redelijke kans maken na een stevige nachtvorst.
De volgende ochtend kunnen we uiteraard niet wachten. De hele nacht heeft één vraag ons beziggehouden: kunnen we morgen verder? Edmond en ik gaan als eersten kijken. Vol ongeloof gaan we op het ijs af waar het gisteren open lag. Het lijkt dicht te liggen. Ik durf er niet op te gaan staan. Het zwart van de diepe ijszee schijnt door het dunne ijslaagje heen. We lopen terug, melden onze bevindingen en besluiten het kamp op te breken en het te proberen. Als we terugkomen bij het dunne ijs merk ik op dat de omgeving alweer is veranderd. Het dunne ijsvlies glijdt langzaam aan ons voorbij. Nog steeds heeft de stroming grip op het ijs. We prikken met onze skistokken door het ijs. Eén keer prikken houdt, bij twee keer prikken verschijnt er water op het ijs en bij drie keer prikken ga je er dwars doorheen.
Bevroren zout water heeft heel andere eigenschappen dan bevroren zoet water. Bevroren zout water is als een soort rubber. Dit komt door de bevroren zoutkristallen. Bevroren water zonder zout is bros en breekt plotseling en direct. Bevroren water met zout begeeft het langzaam als er te veel gewicht op komt. Marc heeft daar ervaring mee. Hij besluit het te proberen, trekt zijn ski’s aan om de druk te verdelen. Ook laat hij zijn skibindingen los want als het ijs het begeeft moet je je wel snel van die ski’s weten te verlossen.
Voorzichtig gaat Marc met slee voorop. Hij houdt zijn adem in en we zien hoe het ijs doorbuigt. Het dunne ijsvlies golft. Maar het lijkt te houden. Al snel gaat Cas er achteraan, gevolgd door de rest. Wel op veilige afstand en niet direct achter elkaar in hetzelfde spoor. Want daar waar we lopen en glijden met ski’s en slede komt direct water op het ijs te staan. Het is een griezelige ervaring. Als een van ons er hier doorgaat is het zeker einde oefening. De vraag is of we hem er überhaupt uit kunnen krijgen. Bovendien hebben we geen brandstof genoeg bij ons om kleding droog te stoken. Al lopend voel en zie je het ijsvlies om ons heen golven. Het is alsof je op een rubberen mat loopt. We lopen ferm door en schatten de overkant op een kilometer afstand. Maar er lijkt geen eind aan te komen.
Als we tenslotte de overkant veilig bereiken slaken we een kreet van opluchting. Op het GPS lezen we de oversteek af: 3,1 kilometer! Ongelofelijk. Stel je eens voor dat iemand er in het midden doorheen zou zijn gegaan¼¼.. We komen met de schik vrij! Cas zegt dat het voelt alsof we de oorlog gewonnen hebben. Hij voegt hier nuchter aan toe: ‘Wat ze alleen niet weten, is dat er nog vijf van zulke open leads komen.’ Typische Cas-humor.

Een paar dagen later hebben we opnieuw met tegenslag te maken, maar ditmaal in het team. Cas blijkt steeds meer last te krijgen van een oude rugblessure. Een tussenwervel onder in zijn rug drukt op een zenuwbaan. Het wordt steeds erger. Hij slikt al en paar dagen zeer zware pijnstillers. Overdag tijdens het lopen gaat het nog enigszins als hij eenmaal is opgewarmd. Maar als hij in de tent ligt weet hij geen houding te vinden. ’s Morgens kan hij bijna zijn tent niet meer uitkomen.
Ik help hem zoveel mogelijk. Cas is een jongen die niet snel hulp accepteert of het moet echt niet anders kunnen. En dat is nu het geval. Van mij kan hij de hulp nog het beste accepteren door onze jarenlange diepe vriendschapsband. We kenden dit risico van tevoren. Ik pas de manuele therapie toe die ik voor vertrek heb geleerd van de manueel therapeut die Cas behandelt. Maar het mag niet meer baten, z’n rug is elke ochtend zo stijf als een plank. Ik moet hem letterlijk op zijn benen helpen nadat ik hem al liggend op zijn slaapmat de tent uit heb getrokken. Kruipen kan hij allang niet meer. Ook help ik hem aan het eind van de dag zijn slaapzak in.
Als hij zijn grote behoefte moet doen is het een ware expeditie. Als hij voor in de tent met hulp een grote behoefte doet, gaat hij weer door zijn rug en belandt midden in zijn eigen stront. Alles zit onder. Zijn handen, zijn kleren en zelfs mijn donssloffen die ik hem geleend had. We moeten allebei lachen en tegelijkertijd janken. Cas vergaat van de pijn, hij heeft het niet meer.
Het is duidelijk, zo kan het niet verder. Nadat we alles zo goed mogelijk hebben schoongemaakt probeert Cas te slapen. Na de nodige morfine- pillen valt hij eindelijk de slaap. Wat een hel!

De volgende ochtend maakt Cas zijn dappere besluit bekend. Hij kan niet meer en wil niet meer. We zijn allemaal opgelucht en teleurgesteld tegelijkertijd. Opgelucht omdat Cas zelf met dit besluit is gekomen en teleurgesteld omdat we hem zullen moeten missen, onze hardwerkende, relativerende factor binnen het team. Maar het meest teleurstellend is het voor hemzelf. Hij heeft er zo hard voor getraind en er alles voor over gehad.
We nemen radiocontact op met ons basiskamp. ’69 Resolute, 69 Resolute, this is the Dutch expedition. Do you copy, over?’¼¼¼. ‘Dutch expedition, this is 69 Resolute, go ahead over. We beschrijven de situatie en vragen een ‘resupply’ aan. Gelukkig kunnen we de repatriëring van Cas samen laten vallen met een bevoorrading. Puntsgewijs beschrijven we de weersomstandigheden: zicht in meters, contrast, windrichting, windsterkte en temperatuur. Even is het stil aan de andere kant, dan volgt de beslissing. De Twin Otter zal komen maar kan er op z’n vroegst pas morgen zijn. We spreken af dat we aan het eind van de dag weer contact zullen hebben. We moeten eerst naar een geschikte landingsbaan zoeken. Hier kan het vliegtuig niet landen.

Zo goed en zo kwaad als het gaat weet Cas zichzelf met heel veel pijn en doorzettingsvermogen overeind te hijsen. We nemen al het gewicht over van Cas en hij probeert langzaamaan te bewegen. We beloven bij de eerste beste mogelijkheid waar een vliegtuig kan landen halt te houden.
Doorlopen is puur sarcastisch. Cas verbijt zich elk uur, elke minuut. Hij klaagt nooit maar je ziet dat hij tot op het bot lijdt. We vinden een plek en houden ons bezig met het markeren van de landingsbaan. We zijn niet zeker van onze zaak. De landingsbaan is wel 400 meter lang maar aan de zijkanten bevinden zich stuwwallen. We gokken het erop. Aan het eind van de dag is er weer
radiocontact en de volgende dag moet de Twin Otter komen, vanaf Eureka, waar een weerstation staat.

Vroeg in de ochtend horen we het typische gebrom van een naderende Twin Otter. Voor Cas komt de verlossing naderbij. We zijn de tent alweer uit en lopen richting onze landingsbaan. Als het vliegtuig naderbij komt cirkelt het tweemaal boven ons kamp. Bij de derde keer vliegt het in een rechte lijn over onze landingsbaan. Tot 50 meter boven het ijs scheert het over de airstrip. De piloot herhaalt deze procedure, het is duidelijk dat hij twijfelt. Hij probeert het nog een keer maar aan het einde van de baan geeft hij vol gas en trekt zijn neus de lucht in. Het is duidelijk. Hij heeft onze landingsbaan afgekeurd.

Hij vliegt richting zuidwesten waar hij iets gevonden lijkt te hebben. Na een aantal cirkels te hebben gevlogen zet hij daar de landing in. Zelfs op anderhalve kilometer afstand maakt het gebulder van de motoren een grote indruk op ons. We staan letterlijk te bidden voor een goede afloop. Het vliegtuig verdwijnt achter ijsmuren waar de opwaaiende sneeuwwolken zijn positie nog net verraden. We slaken een zucht van verlichting. We weten niet hoe snel we bij het vliegtuig moeten komen. Edmond en ik trekken Cas zijn slede met al het materiaal dat terug mag. Cas loopt met Marc en Hans is al vooruit. We zeggen niet veel. Waarom ook? We hebben geen behoefte dit klote moment van commentaar te voorzien.

Leuk om Joost, Manfred, Bert en de piloten te omarmen. Maar wat overheerst is de afscheidssfeer. Eén voor één nemen we afscheid. Een innige omhelzing en woorden die nergens op slaan. Cas stapt in, we ruilen de noodzakelijke spullen om en dan gaat de deur van de kist alweer dicht. Vijf volwassen jankende kerels. We staan er nu nog met z’n vieren voor. Cas, mijn steun en toeverlaat en trouwe klimpartner.

Nadat Cas ons had verlaten veranderde ik ook van strategie. In het begin van de expeditie wilden we met z’n vijven allemaal captain zijn. Dat werkt niet. Cas en ikzelf trokken ons als eersten terug, aangezet door de altijd relativerende opmerkingen van Cas als er een of andere discussie gaande was: ’lekker belangrijk’. We maakten afspraken dat slechts de twee vooroplopende mannen zich zouden bezighouden met de route en het terrein. De andere drie moesten zich dan conformeren en tijdens lastige passages meer fysieke support aan de groep leveren. Om het uur wisselden we de posities af. Maar in het afwisselen is de een nu eenmaal beter dan de ander. En stiekem liepen Cas en ik meer in de achterhoede onze fysieke support te leveren daar waar nodig was. We maakten ons er niet druk over.

Maar nu Cas weg is heb ik genoeg van mijn achterhoedepositie en begin ik me steeds meer te bemoeien met de te lopen route. Verder groei ik steeds meer in de expeditie waardoor ik me steeds sterker ga voelen en mijn plezier stijgt. Hans en Edmond hebben duidelijk meer moeite met het slepen van een slee, terwijl het Marc en mij steeds makkelijker afgaat.

Maar echt makkelijk is het nooit. Elke dag moeten we het hebben van ijzeren discipline. We slapen in twee tenten en rouleren ook bewust de samenstelling. De ene dag slaap ik met Marc, dan met Hans en dan weer met Edmond. Dat werkt perfect. Op die manier voorkom je groepsvorming binnen de groep en blijf je exact op de hoogte van elkaars gevoelens.
Als er een kwestie besproken moet worden heb je vaak twee meningen uit twee kampen. En zodra de twee meningen samen in een tent sliepen was het probleem vaak de volgende ochtend opgelost. Als je na een dag beulen de tent op moet zetten kunnen irritaties snel bereikt zijn. Als de een vindt dat de ander niet genoeg meehelpt tijdens het opzetten van de tent of stiekem in zijn eigen slee loopt te graven terwijl de ander zijn vingers staat te bevriezen, dan is het zo gebeurd. Maar wat dat betreft zijn we een echt team.
We hebben een balans gevonden in het opzetten van de tenten, eten koken, route bepalen, pauzes maken. Om de beurt staan we ’s ochtends als eerste op om een uur lang water te smelten. Op die manier kunnen de anderen dan nog een uurtje blijven liggen. We zorgen ook altijd voor motivatie op de kortere termijn. Zo gaan we met een beetje geluk vandaag, 7 april op de 27e dag de 85e breedtegraad halen. We hebben er dertien dagen gedaan om van de 84e naar de 85e te komen. We hebben nog vijf breedtegraden te gaan! We zijn nu bijna een maand op het ijs en ik denk dat iedereen ervan doordrongen is dat de grillige ijszee de wet dicteert. Met nog ruim 450 kilometer te gaan zal het duidelijk zijn dat er nog een flinke uitdaging voor ons ligt.

Als we dichter bij de pool komen en het later in het seizoen wordt stijgt de temperatuur. Prettiger voor mens en materiaal, maar nadelig voor het terrein waarop we ons bevinden. Steeds vaker krijgen we te maken met open water. Het wordt steeds belangrijker om de juiste route te vinden. Af en toe klimmen we op een hoge ijstoren om al turend in de verte de gunstigste route te bepalen. We zigzaggen door het terrein en soms ook over ‘sloten’ heen.
We hebben bewust gekozen voor een langere slede van meer dan twee meter zodat we daarmee een sloot van anderhalf tot twee meter kunnen overbruggen. En dat blijkt een juiste keuze. Want heel vaak is die slee de redding. We leggen de slee voorzichtig over de sloot, twee man houden ‘m op z’n plaats en dan lopen we op de ski’s naar de overkant. We krijgen daar flinke routine in.
Maar ook bij grotere plekken open water blijken we efficiënt op elkaar ingespeeld te zijn. We besteden veel minder tijd aan discussiëren of we nu wel of niet op de plek gaan oversteken. Neen, een slee wordt leeggemaakt, het touw uitgerold. Een van ons maakt zich klaar om als eerste naar de overkant te gaan. Dat valt nog niet mee. Vaak ligt er op het water een vlies ijs waar je de slee doorheen moet zien te werken. Het ijs is te dun om er overheen te lopen maar te dik om te kunnen varen. Met je sneeuwschep als ijsbreker moet je dan hard werken en vooral niet je evenwicht verliezen, anders lig je er alsnog in.
Ben je eenmaal aan de overkant, dan wacht de volgende uitdaging. Je kunt vaak niet zomaar op de kant stappen. Als je omhoog komt vanuit de slede schiet die zomaar onder je vandaan. En de eerste stap op vast ijs is vaak een zeer onzekere stap. Ook daar breekt het ijs vaak onder je vandaan. Er is ware acrobatiek voor nodig om uiteindelijk veilig aan de andere kant op het ‘vasteland’ aan te komen.
Als er eenmaal zo’n oversteek is gemaakt, ontstaat de routine. Met een touw wordt de ‘boot’ teruggetrokken, volgegooid met alle materialen, weer naar de overkant getrokken, geleegd en weer terug getrokken. Dan worden de andere sledes achter elkaar geknoopt en door het water naar de overkant gebracht. Als laatste volgen dan de andere teamleden in de slee die als pond dient en elke keer met een touw terug wordt gehaald.
Deden we in het begin drie uur over een stuk open water van 30 meter, nu doen we dat in een uur. We hebben zelfs dagen gehad dat we dit drie keer op een dag moesten doen.

Op 13 april, hoe kan het ook anders, raken we geïsoleerd op een drijvende ijsplaat. Al enkele dagen lopen we door een doolhof van losbrekende ijsvelden. Elke keer als we vastlopen, zoeken we ongeduldig een uitweg. We lopen door een gebied waar werkelijk de hele ijskap aan het bewegen is. Met spanning zoeken we onze doorgangen. Maar na weer een grote omweg bereiken we een breuk die we nog net met de slede kunnen overbruggen en dan is het raak. We hebben ons vastgelopen. De plaat waarop we lopen raakt steeds verder los van alle andere velden. Het veld waarop we ons bevinden is niet groter dan een voetbalveld. Aan de randen is het beangstigend als je de zwarte diepte van de ijszee in kijkt. Alsof je in de muil van een groot monster kijkt. Als de hel bestaat dan ligt die in dit zwarte gat, vermoed ik.

We koppelen onze sledes af en iedereen gaat ergens staan kijken en stiekem op zoek naar een uitweg. Even later roept Edmond dat hij een doorgang heeft gevonden. Hij staat al aan de overkant. Maar zonder dat hij het doorheeft, drijven de ijsplaten alweer uit elkaar. Op het moment dat hij merkt dat hij als de sodemieter terug moet is het al te laat. Edmond staat geheel alleen zonder slede op een stuk drijvend ijs. We roepen hem toe dat hij moet springen. Hij twijfelt even maar heeft geen keus. Elke seconde dat hij langer wacht drijft de boel verder uit elkaar. Het is nu al zo’n twee meter. Wetend dat hij het niet zal halen waagt hij dapper de sprong. Hij belandt in het water maar we kunnen hem er nog net aan zijn capuchon uittrekken. Hij verliest een laars met ski maar die trekken we er later uit.
Razendsnel trekt Edmond zijn spullen uit voordat ze aan zijn lijf vastvriezen. Op zijn sokken rent hij over het veld naar zijn slee. We zetten met z’n allen in een noodtijd de tent op en pakken warme droge spullen voor Edmond. Binnen drie minuten staat de tent en ligt Edmond in droog ondergoed in zijn warme slaapzak. Een paar minuten later loeit de benzinebrander op volle toeren. Vele uren van ijsborstelen volgen, binnenschoenen worden vervangen en kleding drooggestoomd. Het heeft ons weer even met de neus op de feiten gedrukt. Het blijft levensgevaarlijk terrein en de tenten zijn onze levensverzekering. De ene keer is de tent je bed, de andere keer een EHBO-post, dan weer de keuken, en soms ook je werkplaats.
Uiteindelijk wachten we tot de volgende ochtend en ligt de boel weer aan elkaar vastgevroren.
We worden steeds creatiever wat het eten betreft. We hebben standaard gevriesdroogde maaltijden bij ons maar gelukkig ook wat losse ingrediënten om het geheel af te wisselen. Hans is daar het meest creatief in. Hij heeft als extra voor iedereen zonnebloempitjes en gedroogd fruit meegenomen. Zelf hebben we allemaal ons voer voor gedurende de dag. Dat bestaat uit soep, noten, bifi-worstjes, energierepen, chocolade, pemmican (een soort vette paté). De warme maaltijden worden opgeleukt met uitgebakken bifiworst, nootjes, zonnebloempitjes enz. Maar onze favoriete maaltijd op de dag wordt toch wel de soep.
In het begin was het gewoon een zakje cup-a-soup in een beker heet water. Maar na verloop van tijd wordt de soep versterkt met stukken vette pemmican, noten, bifiworst en begint het steeds meer op een maaltijdsoep te lijken. We kijken op de dag dan ook echt uit naar de grote middagpauze na vier loopuren. We zijn dan op de helft, houden watertandend stil en beginnen aan onze beloning. Zo veel mogelijk uit de wind, verscholen in je grote capuchon, probeer je de soep te nuttigen zolang die nog enigszins warm is. Zodra je hem opschenkt, zie je het vet uit de pemmican aan de rand van de soepmok al stollen. Dit vetrandje schraap je er het laatste uit. Thuis gruw ik van alles wat met vet en vellen te maken heeft, maar hier lik ik m’n vingers erbij af.

Als we na vier loopuren wederom een kampplek zoeken, is het nog niet gedaan met de arbeid. Steeds vaker hebben we ook materiaalproblemen met de sledes en vooral de bindingen. De bindingen blijken toch niet expedition proved zoals de fabrikant zo mooi vermeldde. Door metaalmoeheid breken er steeds meer bindingen en de voorraad reserve-onderdelen is flink geslonken. Dat betekent dat we steeds meer aanspraak moeten maken op onze inventiviteit en collegialiteit. Door het enorme gewicht van slede en persoon komen er enorme krachten op de bindingen, zeker in moeilijk terrein.
Bij mij breken er meer bindingen, wat tot een discussie met Edmond leidt. Hij vindt dat we de overige reserve-onderdelen maar moeten verdelen. Als iemand dan door zijn eigen reserve-bindingen heen is heeft ie pech gehad. De reden dat ik meer materiaalpech heb met mijn bindingen komt in mijn ogen door mijn grotere gewicht en het vaker voorop lopen door het zware terrein. Ik heb fysiek minder problemen met het trekken van een zwaardere slee maar daardoor zijn de krachten op het materiaal wel groter. Gelukkig valt Marc mij bij en wordt de discussie van tafel geveegd. We zullen gezamenlijk omgaan met de reserveonderdelen.

Op 20 maart worden we wakker en het weer is slecht. De wind jakkert als een gek over de tent. Bij meting blijkt de windsnelheid 60 kilometer per uur te bedragen. Eigenlijk willen we wachten, maar een rustdag zit er niet in. Als we het GPS erbij pakken en onze positie vergelijken met de positie van gisteravond schrikken we ons rot. We zijn op drift, we zijn al 57 kilometer van onze route afgedreven naar het zuidwesten. En we zien op het GPS-scherm dat we elke paar seconden verder afdrijven. Onze route vertoont een sterke afbuiging naar het oosten, terwijl we al dagen noord-noord-west koersen. We besluiten toch op te breken en te gaan lopen. Het zicht is slecht en dus moeten we navigeren op de wind en de sneeuwrichels in het terrein. We weten dat we een hoek moeten maken van 60 graden ten opzichte van deze richels; je voelt de wind dan schuin op je wang.
Het is frustrerend om zo te moeten vechten tegen het terrein, de wind en de omstandigheden, wetend dat je niet vooruitkomt omdat de ijsplaat onder je gewoon tegengesteld wegdrijft. Maar als we niets doen wordt de situatie nog slechter. Nu compenseren we het afdrijven tenminste nog.
Er heerst ook spanning in het team. De een vindt dat we gewoon pal noord moeten blijven lopen, de ander vindt dat we op de ideale koerslijn moeten blijven en dus gewoon terug naar het westen. En weer een ander vindt noordwest de beste koers. Uiteindelijk ligt daarin het compromis. We corrigeren dan enigszins de koers en raken toch dichter bij de Noordpool. Dat corrigeren is noodzakelijk want uit satellietfoto’s blijkt volgens ons basiskamp dat als we te veel naar het oosten afdrijven, we in zeer slecht terrein uit kunnen komen. Maar we beginnen soms ons geduld te verliezen. In het terrein ontstaan ook grotere afstanden tussen ons. Als Hans voorop loopt jakkert hij door en dat zelfde doe ik als ik voorop loop. Toch zullen we ons geduld moeten bewaren. Vooruitlopen heeft geen enkele zin. Maar als je voorop loopt voel je je automatisch sterker en voordat je het weet sla je een gat.

Op 30 april, een week sinds onze tweede bevoorrading, is het weer gelukkig weer goed. Al dagen zien we geen halo’s meer om de zon. Dat betekent dat de lucht helemaal vrij is van ijskristallen. Maar de sledes zijn weer lood- en loodzwaar. We zullen het nu moeten afmaken. Geen bevoorradingen meer, en nog ruim 300 kilometer te gaan. Op dit moment zijn we ongeveer een zeemijl, bijna twee kilometer, van de 87e breedtegraad verwijderd. Op de 4000 meter diepe zeebodem rijst hier ergens een enorme berg op: de Lomonosov Ridge. Deze berg veroorzaakt in de wijde omgeving een complex patroon van chaotische zeestromingen die het ijs opentrekken en opstuwen. Hopelijk heeft de pool niet nog meer van dit soort verrassingen in petto. Als dat wel zo is staat ons nog wat te wachten.
Maar het is zinloos om hier op vooruit te lopen. Het begrip tijd krijgt hier een bijzondere betekenis. Het is de kunst jezelf de tijd te gunnen. Te veel calculeren schept verwachting, en dat vormt de eerste voorwaarde voor teleurstelling. We rekenden aanvankelijk op 65 dagen. Dat gaan we allang niet meer halen. Jammer dan. We geven alles en meer kunnen we niet.
Hans krijgt het ook steeds zwaarder. Hij heeft last van zijn linkerhiel. Bij elke afzet voelt hij een drukkende pijn. De langdurige en eentonige belasting begint zijn tol te eisen. Hij heeft ook last van zijn knieën. Die zien eruit alsof hij over een gravelveld is getrokken. Bij elke stap die hij zet, schuurt zijn ondergoed over de geïrriteerde huid. Zijn knieën zijn zo pussig dat zijn hele slaapzak ernaar ruikt. Maar je hoort hem er nauwelijks over. Het is een kunst hoe hij met zijn lichamelijke kwaaltjes omgaat. Hans heeft blijkbaar genoeg bagage in huis om al die ellende te kunnen hanteren.

We zijn nu bijna op de 88e breedtegraad. Gisteren hebben we voor de tweede keer een ijsbeer ‘ontmoet’. Godzijdank weer niet in levenden lijve, maar een verse pootafdruk van wel 35 centimeter maakte diepe indruk. Als zo’n beest kwaad wordt is er geen land mee te bezeilen. Als hij op zijn achterpoten gaat staan en je een veeg met z’n klauw geeft, dan vlieg je meters de lucht in. En het is nu voorjaar aan het worden. Want hadden we de eerste maand vooral temperaturen van min 30° Celsius, nu begint het steeds milder te worden met zelfs soms temperaturen rond het vriespunt. We zien zelfs af en toe een nieuwsgierige zeehond zijn kop boven het ijs uitsteken.

Dit is de periode waarin de ijsberen met hun jongen over het ijs gaan struinen. Als jij dan toevallig tussen de ijsblokken doorloopt met links de ijsbeer en rechts zijn jong dan heb je de poppen aan het dansen. Bovendien zijn ze altijd nieuwsgierig en voor je het weet trekken ze je tent in tweeën.

Natuurlijk hebben we onze voorzorgsmaatregelen genomen. We hebben vuurpijlen bij ons en een geweer. Voor vertrek hebben we geoefend met het geweer en de beste schutter zou het geweer op zijn slee dragen. Dat bleek Cas te zijn. In militaire dienst had hij wel leren schieten. Ik zelf bleek de slechtste schutter.
Cas had het ijs verlaten en het geweer was in eerste instantie doorgegeven aan Marc. Maar naarmate de expeditie volgde en de vermoeidheid optrad, belandde het geweer uiteindelijk toch bij mij op de slede. Terwijl ik zeker wist: als ik zou moeten schieten zou het de ijsbeer alleen maar kwader maken want ik zou hem door de rondpompende adrenaline nooit raken.

Het is donderdag 15 mei. We zitten vlak bij de 89e breedtegraad en hebben ons voorgenomen deze snel te gaan halen. Vanaf zaterdag 10 mei lopen we ’s nachts. Vanaf eind maart verdwijnt de zon niet meer achter de horizon en is het mogelijk om ’s nachts bij klaarlichte dag te lopen. We krijgen sterk de indruk dat het ’s nachts rustiger is qua weer. We gooien ons bioritme om en proberen het uit.
Met de pool in zicht verandert duidelijk onze strategie en mentaliteit. Ondanks het extreem slechte terrein stellen we ons nu elke dag een afstand ten doel waarvan we vinden dat we die moeten halen. Je best doen is nu niet meer goed genoeg. Het maakt niet uit hoe lang we lopen. We stoppen niet voor we de afgesproken positie voor die dag bereikt hebben.

We zijn nu in de fase gekomen dat we echt roofbouw plegen op ons lichaam. Het eind is in zicht, dat zou het dragelijk moeten maken, maar er wordt al flink geleden. Edmond vertelt dat hij af en toe jankend achteraan loopt. Zijn enkelbanden zijn helemaal verrot en de pijn vraagt continu zijn aandacht. Desondanks, of misschien wel juist daardoor opereren we op dit moment in volledige harmonie. Zonder veel woorden nemen we gewicht uit elkaars slede. Het doet me goed ook Hans te kunnen helpen door gewicht over te nemen. Tijdens de K2-expeditie was Hans mijn reddende engel en samen met Cas mijn steun en toeverlaat. Nu kan ik op mijn beurt Hans een beetje redden.
Hij is fysiek en mentaal een beul maar moet nu toch accepteren dat hij tegen zijn grenzen aanloopt.

Eerlijkheid en kwetsbaarheid maken ons op dit moment beresterk. We durven zachtjes aan weer over thuis te dromen. Maar de onzekerheid blijft bestaan. Gaan we die pool halen of blijkt de pool straks in open zee te liggen en kunnen we er helemaal niet bij? Marc en ik lopen nu veelal voorop. We hebben een systeem ontwikkeld waarbij het GPS is aangesloten op het zonnepaneel. Ik loop bijvoorbeeld achter Marc aan, lees het GPS af en stuur hem dan bij naar links of naar rechts. Dit werkt perfect en zeer efficiënt. Het kan nu ook eindelijk want we lopen zowaar over open terrein.
Als ik weer eens voorop loop merk ik dat het tempo probeer op te voeren. Het kan mij niet meer snel genoeg gaan. Ik neem de gestelde doelen in mij op en probeer ze zelfs te overtreffen. Ik hou de pauzes goed in de gaten want ik wil resultaat. Als we bijna aan de middagpauze toe zijn, trek ik nog even een sprint om ook nog wat filmwerk te doen. Ik meld dit en dan gaat het gas erop. Ik loop dan even met ferme passen en raak in een cardans dat ik met slee en al vooruit schiet. Natturlijk is er geen sprake van een echte sprint maar ten opzichte van ons duurtempo is zo’n versnelling een sprint. Even kan ik me helemaal uitleven, even hoef ik met niemand rekening te houden.
Als ik achterom kijk zie ik de mannen in de verte aankomen. Ik leg het op video vast. Als we pauzeren brengt Hans ter sprake dat het tempo wat hem betreft wel wat omlaag mag. Ik stel voor het tempo aan te houden en eventueel meer spullen uit zijn slee over te nemen. Marc steunt mijn voorstel en geeft aan ook nog wel spullen erbij te willen nemen. Dit gegeven sterkt Hans blijkbaar, want als we even later alweer een tijdje op weg zijn lijkt het alsof hij geen moeite meer heeft met het tempo en kan hij het plots bijbenen.

Vandaag zijn we om half één ’s nachts vertrokken. We zullen vandaag zo’n tien uur moeten zwoegen om de 89e breedtegraad te halen. Maar we hebben het ervoor over. We zullen weer iets afknabbelen van onze nachtrust. Het slaaptekort begint structureel te worden. Het wordt een ritme met maar één ding voor ogen: Doorgaan, lopen en doorgaan. Bij de middagpauze zijn de meeste thermoskannen al leeg. We verdelen het kostbare vocht voor de laatste pauze. Daarna kijken we niet meer op het horloge maar alleen nog maar op het GPS. En dan eindelijk om kwart voor elf in de ochtend gooi ik mijn skistokken in de lucht. We hebben ons doel voor vandaag gehaald: we hebben maar liefst 19 kilometer overbrugd. Slechts één keer hebben we een grotere afstand neergezet en dat was op dag 51. Het is ongelofelijk waartoe we op dit moment nog in staat zijn. We belonen onszelf met de laatste rookworsten en de cadeautjes van het thuisfront. Met nog een graad te gaan!

De volgende dag worden we teruggezet op aarde. We zwoegen maar liefst dertien uur en leggen ‘slechts’ zestien kilometer af. We besluiten de volgende dag het op tien uur te houden om enigszins te kunnen herstellen voor echt de laatste loodjes. We leggen dan toch nog 16 kilometer af. Op 18 mei lopen we naar de 89 half. Gewoon omdat we dat weer als doel hebben gesteld. We komen zelfs voetsporen van poolvossen tegen! We zijn dus niet alleen! Er is leven op de Noordpool en de zomer komt eraan.
De dag erop lopen we een absoluut record. Bijna 30 kilometer! 29,78 om precies te zijn. We stijgen als team boven onze individuele kwaliteiten uit. Dit record kunnen we niet meer verbreken, eenvoudigweg omdat het nu nog maar 26 kilometer is. In mijn enthousiasme fluister ik Marc een voorstel in het oor. Zullen we nu doorlopen? Dan wordt het 56 kilometer!
Misschien zouden we het nog kunnen ook maar we voelen er weinig voor, en waarom zouden we? We hebben nu zoveel kilometers gelopen dat we van de laatste bewust willen genieten. Het is een rare gewaarwording. De droom die zolang voor ons lag gaat nu werkelijkheid worden.

De volgende dag gaan we nog een keer om de beurt op kop. Ieder met zijn eigen gedachten. Het weer is prachtig en de zon heeft een betoverende lichtkrans. Of heb ik er plotseling oog voor gekregen? De pool begint voor het eerst iets vredigs te krijgen.
Als we nog één zeemijl (1850 meter) van de pool verwijderd zijn wordt de video gestart en zal ik met het GPS in de hand de ceremonie leiden. Hans heeft het eerste deel van de dag voorop gelopen, nu is Edmond aan de beurt. Hij heeft al dagen niet meer voorop gelopen met zijn pijnlijke enkels. Maar ook hij ruikt de pool en put kracht uit de gedachte dat hij straks zijn dochter in zijn armen kan nemen. Daar droomt hij vast en zeker al weken over. We lopen hard door. Tijdens de pauzes houden we het kort. We worden niet alleen steeds ongeduldiger maar het voelt ook koud aan. En dat terwijl de absolute buitentemperatuur wel meevalt. Het zijn onze reserves die opraken. Marc loopt na de pauze voorop naar de 89°59’. Het terrein heeft nog steeds verrassingen voor ons in petto. We hebben nog steeds te maken met open water maar gelukkig kunnen we het ‘varen’ vermijden. Op 89°59’ houden we echt de aller- allerlaatste pauze. Die leggen we vast op video. Maar we zijn te ongeduldig om echt de rust te hebben.

De laatste etappe ga ik voorop. Het terrein is ruw en ik kan weinig snelheid maken. De pijl op het GPS schiet nerveus heen en weer. Hoe dichter bij de pool des te moeilijker het GPS het heeft. Dat is natuurlijk ook niet zo gek. Straks op de Noordpool bestaat er alleen nog maar Zuid. Oost en West bestaan niet meer. En wat voor tijd is het op de wereld? Alle tijdslijnen komen samen op de geografische Noordpool. Een raar idee. Gelukkig kunnen we na een aantal peilingen ons fixeren op een stel ijsbobbels in de verte waar we dan heen lopen.

Dan begint de adrenaline in mijn keel te stijgen. Ik roep we hebben nog 0,12 kilometer te gaan. Oftewel 120 meter. Edmond schreeuwt het uit: echt waar? We kijken om ons heen. Op 100 meter afstand moet het punt liggen waar we al zeventig dagen naar toe aan het lopen, en twee jaar naar toe aan het werken zijn. Uiteraard zien we niets. Geen vlaggen, geen station zoals op de Zuidpool. We lopen het GPS achterna. De display telt keurig af. Marc kijkt over mijn schouder mee. Gezamenlijk schuifelen we richting de pool. Plots roep ik: we zijn er voorbij! De teller loopt weer op. Ik keer om en loop terug. Nu zonder slede. Waar ligt die pool nou? Dan lees ik hardop: 89°59’53’’, 52’’, 54’’, 55’’, 56’’, 57’’ 58’’, en dan 59’’. Dichter bij dan 89°59’59’’ kunnen we niet komen. Ik prik mijn skistok in de grond.
We schreeuwen het uit en vliegen elkaar in de armen. We dansen gearmd op de pool. We maken een rondedans om de wereld in twee seconden, zo blij als kinderen. Dan komt de emotie. Hans bedankt zijn team met rake woorden: Bedankt jongens, jullie zijn allemaal goed voor me geweest. Ook Marc rollen de tranen over de wangen. Voor hem betekent het enorm veel. Vier jaar geleden is hij aan deze droom begonnen en nu staat hij er eindelijk. We voelen ons één als team, sterker dan ooit. Wat hebben we elkaar nodig gehad. Niemand van ons had deze loodzware klus in zijn eentje geklaard. We kunnen het nauwelijks beseffen.
We zetten routinematig de tent op. Maken de radio klaar en maken radiocontact met Eureka waar de Twin Otter al klaarstaat om naar ons toe te komen. We zullen moeten wachten tot morgen. Maar wat kan ons dat nu nog schelen? We kunnen morgen toch uitslapen.
De volgende dag prepareren we weer een landingsbaan en horen we om 20 minuten voor 4 het vertrouwde geluid van een Twin Otter naderen. Ons hart begint sneller te kloppen. We staan klaar met de videocamera’s. De landing verloopt spectaculair. Het toestel stuitert een paar keer op het harde ijs en na een laatste sprong remt de piloot het vliegtuig op vol vermogen af. Joost, Manfred en Bert stappen groen en geel uit. Het mag de pret niet drukken.
We krijgen een DHL pakket met oranje vuurwerk en een supergrote fles echte champagne! De champagne wordt op traditionele wijze ontkurkt onder de Nederlandse vlag met het afgestoken oranje vuurwerk. We hebben het geflikt. We voelen ons de gelukkigste mannen van de wereld. We hebben geschiedenis geschreven. We gaan de boeken in als de eerste Nederlanders die op eigen kracht de geografische Noordpool hebben bereikt.