Mount Kenia expeditie 1993 (Kenia) - Team Wilco Van Rooijen

Mount Kenia expeditie 1993Mount Kenia expedition

Wat
Het doel van de expeditie was het beklimmen van Mount Kenia (5199 meter)

Waar
Oost Afrika, Kenia, het Black Diamond couloir op de Mount Kenia.

Na drie maanden per landcruiser door Afrika getrokken te hebben wordt het tijd voor wat pittig klimwerk: het Diamond couloir op de Mount Kenya.

En dan eindelijk de grens over. Nee, dit keer niet voor een week-endje Zwitserland. We zijn al drie maanden onderweg en rijden zojuist met onze Toyota landcruiser Kenya in Oost-Afrika binnen. We hebben de afgelopen maanden veel meegemaakt. Het reizen door Afrika met een eigen voertuig is een heel speciale ervaring. Vaak zijn we het zat, meer dan zat zelfs, maar toch ga je door.
Toen we thuis vertrokken, was het doel Zimbabwe, maar al snel leer je je doelen te beperken en niet te ver vooruit te zien. Zo zijn er dagen met als doel water, een grensovergang, of bijvoorbeeld een reparatie aan de auto. Een doel was in de reis aanwezig: klimmen. Zo hebben we wat rotsgeklommen in Mali bij ‘de hand van Fatma’. Het klimmen van een alpine route op een ander continent bleef echter doorzeuren. Bij de Mount Kenia, daar moest het gebeuren. Er was zelfs al een route gepland: het Daimond Couloir. Door enkele tegenslagen tijdens de reis zijn we in tijdnood gekomen. Het regenseizoen staat voor de deur te trappelen. Het moet eigenlijk al beginnen. Het is 9 april als we van Nairobi naar het noorden rijden, het nationale park van de Mount Kenia.

De berg heeft een grote omtrek en er zijn dan ook verschillende aanlooproutes mogelijk naar de berg, zoals bijvoorbeeld de Chogoria- of de Mintosroute. Wij nemen de meest gebruikte: Naro Moru. De hoogtes zijn hier allemaal wat anders dan in de Alpen. Zo ligt de top hier op 5199 meter, maar je kunt hier dan ook met je auto naar 3000 meter rijden. De route die wij willen klimmen bestaat uit ijs, althans dat vermeldt het gidsje uit 1971.

Voor de aanloop naar de route trekken we twee dagen uit. Natuurlijk, drie maanden ‘ kontzitten’ in een terreinwagen zorgt voor een uitstekende fysieke conditie. Ook onze acclimatisatie is perfect door het oerwoud van Zaire, waar we vier weken in de modder gewroet hebben. Ja, excuses zat. Het lopen gaat de eerste dag dan ook voor geen meter. Niet alleen problemen met conditie en acclimatisatie, maar ook voetzorgen maken het er allemaal niet beter op. Ik heb een ontsteking aan mijn voetbed en twee tenen, terwijl Wilco al een maand met etterende enkels rondloopt. Di alles zijn ideale omstandigheden met het regenseizoen voor de deur.

Spaghettisaus
De eerste dag heb ik vooral last van mijn oet. Gelukkig zijn de paden hier goed onderhouden en gemarkeerd. Wilco loopt nu al zeker al een uur op me voor. ‘Kan-ie niet effe wachten’ schild ik op hem, ‘ hij bekijkt het maar’.
Toch weten we allebei dat dit de beste manier is. Ieder zijn eigen tempo en af en toe op elkaar wachten. De rugzak is loeizwaar en trekt aan alle kanten. De eerste dag brengt ons op 4000 meter en de volgende dag bereiken we onze bivakplaats. De black hole bivy op 4750 meter, aan de rand van de Darwin-geltsjer. Je kunt hier nog goed de oude Engelse invloeden terugvinden. Engelse klimmers staan bekend om hun hardheid. Wanneer je het black hole bivy ziet, weet je gelijk dat het en Engelsman is geweest die dit heeft verzonnen. Het is in ieder geval een bvak dat zijn naam eer aan dt: meer dan een donker hol is het niet. Een hunebed met een deur ervoor, maar wanneer je binnen wilt komen zonder gebruik te maken van de deur dan kan dat ook.
We voelen ons niks lekker. We hebben hoofdpijn en dan zitten we beiden nog met die voetproblemen. We rommelen beiden maar wat aan met ie voeten, want medisch zijn we niet erg goed onderbouwd. Helemaal open liggen die dingen, etter overal. Niet te geloven wat een troep. Als snel s et besluit genomen: morgen wordt niet geklommen.

De dag uitstel willen wel ook gelijk gebruiken om de route te verkennen. Et beeld dat we van de route kregen tijdens het omhoog lopen was niet erg geruststellend. Het couloir ziet er vreselijk uit. We zitten natuurlijk aan het einde van de droge periode, wat betekent dat alles er erg uitgeaperd uitziet. De foto’s uit het gidsje slaan absoluut nergens op, vooral het begin van de route: rots, watervalachtig…….Morgen zullen we het allemaal wat nauwkeuriger bekijken.
’s Avonds wordt onze spaghettimaaltijd verziekt in de ruimste betekenis van het woord. Tijdens het eten kauwt Wilco op iets hards, een grote prop. Als snel blijkt dat er een verbandje van een onzer voeten in de saus moet zijn beland. We zijn dan ook gelijk klaar met eten.
Die nacht slapen we beroerd. De hoofdpijn houdt ons wakker. Toch slaap je korte stukjes en dan vooral vele, korte dromen over de meest vreemde dingen. We zetten midden in de nacht soep en thee. We zijn blij dat we de volgende morgen nog niet de route hoeven in te duiken.

Loodrecht ijs
Het ligt hier bezaaid met spullen. Wanneer we naar de Einstieg klimmen om deze te verkennen, vinden we van alles. Onderdelen van een videocamera, nutjes, haken, karabiners met trosjes tegelijk. Op de terugweg vinden we nog twee ijsbijlen. Ook touwen zat op de berg en dan nog niet te spreken over alle kledingstukken die hier rondzwalken.
De Randkluft stelt hier niet veel voor. De foto’s laten nog een flinke Bergschrund zien en een begin van de route in ijs. Wat wij zien, is een passage rots van een meter of zes. Rechts stroomt het water over loodrechte, gladde rots. Links is het droog, maar hangt het over. Hier is echt al tijden niet meer geklommen. We zien oude standplaatsen. Door het afsmelten van het ijs staan wij zo’n 2,5 meter lager dan die standplaatsen. We kunnen absoluut niet bij de haken komen. Het geheel zet er onsmakelijk uit.
Misschien kunnen we vandaag al een stuk klimmen en dan een vast touw achterlaten voor morgen. Ook kijken we uit naar andere mogelijkheden voor de Einstieg. Rechts door de rotsen gaat niet, maar links zou nog wel kunnen.We proberen een stuk, een Rampe links van het couloir en dan naar rechts om weer terug in et couloir te komen. We krijgen geen uitkomst. Toch besluiten we het morgen hier te proberen.
Terug bij de tent zijn we stil. Door de onzekerheid, denk ik. Stel dat we het eerste gedeelte doorkomen, dan moet de sleutelpassage nog komen: enkele malen meterslang loodrecht ijs. We hebben goed zicht op de route vanuit de tent. Dat maakt me er niet geruter op. Zoveel vragen. Kunnen we wel vanaf links weer het couloir in traveseren? Hoe is het ijs, en dan die loodrechte stukken bovenin, komen we daar wel door? En dan steen- en ijsslag, het blijft een couloir natuurlijk.
De vragen die altijd weer terugkeren en altijd weer een gevoel van onzekerheid en spanning met zich meebrengen. Een gevoel dat vele beklimmingen zo nauw met elkaar verbindt doordat het altijd weer terugkeert. En je speelt het mee, als een spel, want je weet dat et er elke keer weer al zijn. Het hoort er gewoon bij. De vragen die door het hoofd schieten over de route en over thuis. Het onrustige slapen, draaien en dan het moment van opstaan en hopen dat het misschien wel regent en dan toch blij zijn dat het weer goed is. ‘ Je moet gaan, roept de stem. Het is alles of nooit. ‘ Neem alles,’ zoals Youp van ’t Hek zegt, ‘ geen keuzes maken’.

Pendelen
Het ochtendritueel wordt aangevuld met voetverbinden. We vertrekken laat, omdat we licht willen hebben als we in de route zitten. Het couloir wordt aan de bovenzijde afgesloten door een Scharte met de naam Gate of mists. Links bevindt zich de hoofdtop op 5199 meter, de Batian, en rechts de bijtop op 5188meter, de Nelion. De moeilijkheid van de route wordt gewaardeerd op 6, voornamelijk door het alpine karakter. Maar ja, de beschrijving is zo verlopen, we weten echt niet wat we moeten verwachten.
Om de eerste zes meter van het couloir te omzeilen moeten we vele meters extra maken. Dan het cruciale moment, de touwlengte die ons terug moet brengen in het couloir. Kan dat wel? Ik verlaat Wilco op een standplaats en traverseer naar rechts. Ik sla een haak. Verder over een klein bandje, bang om uit evenwicht te raken en te pendelen in het touw. Ik kan de rotsen aan de andere kant van het couloir zien, ze lijken vlakbij. Het couloir! Hoe ik de hoek om kom, kan ik niet beschrijven, ik geloof niet dat er voor de toegepaste techniek een benaming is. Misschien zoiets als ‘ zijwaartse ruiterzadel-pendel’.
Vijwel direct na de hoek maak ik stand. Ik ang halfzittend aan een haak met mijn rug tegen de rotsen. Wilco komt na. Schuin onder mij ligt et clouloir waar we vanuit hier goed kunnen komen. Wanneer Wilco de hoek om komt en mij passeert om verder door het couloir omhoog te klimmen en uit mijn zicht verdwijnt, weet ik dat hier geen weg terug meer is. Als ik wat aan de haak achterover ga hangen, kan ik ver boven ons de loodreche stukken ijs zien die benamingen hebben als ‘ headwall’ en ‘ icewindow’.
Het is een vreemd gevoel: geen weg meer terug en de rest ziet er niet smakelijk uit. Toch zijn we rustig. Niet vragen en praten, maar doen. Het vertrouwen in elkaar is er. We voelen het en dat maakt ons zeker.
Er volgen enkele touwlengtes in het couloir die zo uiteaperd zijn dat we over afgesleten rotsen klimmen in plaats van over ijs. Dan, wanneer het eerste ijs komt, moeten we onze stijgijzers aantrekken in onmogelijke posities. Ik klim er zelf enkele meters voor terug. We moeten opschieten, want rond het middaguur komt in het bovenste gedeelte van de wand de zon, die voor ons gevaarlijke steenslag en ijsslag levert. Het ijs is har. Ik ben blij dat we gisteren nog wat geklommen hebben tijdens de verkenning van de Einstieg. Het heeft wat zelfvertrouwen gebracht dat hard nodig is na de drie maanden ‘kontzitten’.

IJspegels
Dan komen de eerste loodrechte stukken. Eerst vijf a zes meter hoog. Hard meppen heeft weinig zin. Toch ga je snel harder slaan als je enkele meters boven de laatste tussenzekering bent. Ik merk duidelijk bij mezelf dat ik ervarng mis in lnagere stukken loodrecht ijs, omdat ik meestal met kracht weet boven te komen. De spanning is groot. Het vergt veel, vooral van de voorklimmer. De naklimmer heft tenslotte het touw nog voor zich hangen en kan gebruik maken van de oude pickel- en stijgijzergaten van de voorklimmer, en dat spaart een hoop kracht.
Vooral het leggen van tussenzekeringen in loodrecht ijs vergt de nodige handigheid. Toc gaat alles redelijk snel. Ieder klit touwlengtes voor. De standplaatsen worden iedere keer aan de zijkant van het couloir gekozen om tijdens het zekeren zoveel mogelijk beschermd te zijn tegen stenen en de ijsschilfers van de voorklimmer. Doordat het ijs op veel plaatsen zeer dus is, is et beter om de standplaatsen met rotshaken te maken.
Tussen de loodrechte stukken ijs volgen telkens traverses naar de andere zijde van het couloir, omdat daar het volgende gedeelte er aantrekkelijker uitziet. De ‘ headwall’ komt steds dichterbij; zeker tien meter loodrect ijs torent boven ons uit. Het laatste stuk lijkt door een bobbel zelfs licht over te hangen.
Ik sta aan de zijkant van het couloir. Het ziet er spannend uit. Met mijn rug sta ik schuin tegen de rotsen gedrukt. Ik zeker en tegelijkertijd probeer ik ook wat te filmen. Vier ijshaken verdwijnen in het ijs als tussenzekering. Zelfs het naklimmen valt vies tegen hier. Ik zit ‘m aardig te knijpen, want ik klim ier aan een zelfgemaakt gordeltje dat niet bepaald zorgt voor het grootste comfort. Vooral de uitklim blijkt moeilijk: Een soort watervalijs. Hier hangen ijspegels die zorgen voor een bros geheel. De pickel houdt meestal wel, maar met de stijgijzers trap ik het geheel meestal kapot. Je moet hier schuin naar rechts wegklimmen. Met veel gevloek en getier kom ik boven bij de standplaats van Wilco. Hij staat half in het ijs met een standplaats van Schlinges in de rotsen.

Het verdere verloop van de route is even onduidelijk. We traverseren iets aar rechts en zitten dan al snel in het ijsveld naar het ijsvenster. Hier bergen we het touw op en klimt ieder in eigen tempo over et ijsveld naar de ‘Gate of mists’ . We zijn blij. We staan nu op e Scharte tssen de Batian en Nelion We zijn zeven en een half uur onderweg. We gebklimmen de graat richting Batian, waar we nog de resten van een oude rugzak tegenkomen. Na ongeveer anderhalf uur staan we op de tweede top, de Neloin. Een stalen kruisje versiert de top en drie meter onder de top staat een bivakdoos voor twee personen. We besluiten door te gaan met de afdaling. Met het weer hebben we het toto op dit moment erg getroffen, maar nu wordt het kouder. De afdaling van de normaalroute is ingewikkeld en door niet al te beste voorbereiding maken we een orientatiefout.

Pannenkoeken
De abseils lijken zich vanzelf te wijzen. We zitten te ver naar links en belanden in de afdaling van de noordoost-wand. Eerst volgen de abseilplaatsen elkaar snel p. Het lijkt duidelijk, er is maar een weg mogelijk. Toc zitten we glad verkeer, maar er is hier geen weg meer terug. Alles doet angstig aan. Steeds moeilijker zijn er aken en Schlinges te vinden van voorgangers. De abseils gaan nu over de volle vijftig meter. Overhangen, lange loodrechte stukken. Hier kunnen we nog maar een kant uit: naar beneden. Zonder een dubbeltouw ben je hier kansloos.
Na elke lengte abseilen is de spanning weer te snijden als we het touw doortrekken. Als het hier vast blijft zitten valt er niet meer te denken aan teruklimmen aat staan waar we de fut vandaan moeten halen. Beiden zijn we kapot. Aan deze kant van de berg is nu enkel schaduw en de wind zorgt voor een onguur geheel. Steeds dieper zakken we in het hol van de leeuw en steeds onsmakelijker ziet het eruit. De gedachte dat we verkeerd zitten is een naar gevoel. We praten niet veel en weten dat er aar een ding te doen staat: doorgaan en zien waar het schip strandt. We vinden veel materiaal tijdens de afdaling: twee pickels, wat nutjes, bossen met afgebroken Schlinges. Dit maakt het allemaal eng hier!

Na vele touwlengtes afdalen krijgen we zicht op een gletscher. Na wat rondgedwaald te hebben in de neeuw weten we via een kleine Scharte toch weer aan de goede kant van de berg uit te komen. Als het donker is geworden bereiken we de Austrian hut waar we kunnen slapen. Het is steenkoud in het hok, waar geen dekens of matrassen aanwezig zijn. We kunnen enkel wat dommelen, dicht tegen elkaar aangekropen. De nacht duurt lang.
De volgende morgen is alles wit. Het zicht is slecht en het sneeuwt nog steeds. Vandaag willen we naar de tent terug en misschien zelfs nog naar de auto.
Alles loopt voorspoedig die dag. We krijgen mooie uitzichten op de berg als we nog even voor de tent liggen te rusten. Net voor het donker zijn we beneden bij de auto. Wilco is al vooruit elopen en is begonnen met het bakken van pannenkoeken. Wanneer ik aankom, ligt er een flinke plak met jam op mij te wachten.

Een dag later. Nairobi. We gaan met public transport naar de stad. Relaxed allemaal. We drinken een biertje en hangen wat rond in het centrum. Fijn om met lood in je benen rond te sjokken en ’s nachts terug te gaan met een taxi en voor de tent nog een eitje te bakken.
Even waren we vergeten wat het was om te klimmen. Al drieëneenhalve maand in een terreinwagen. Alsof we een weekje in een heel andere wereld zaten, niet Afrika of Europa. In een wereld van natuur, in gevecht met jezelf. Mooi is dat. We weten et, maar toch zakt het idee weer weg als je een tijd niet hebt geklommen. ‘De bergbeklimmer komt terug naar de bergen, omdat hij zich altijd herinnert dat hij zoveel vergeten is’, zei een lama ooit.

Wie
Cas van Gevel
Wilco van Rooijen

Wanneer
April 1993.